Uitvoerder van het kunsten- en cultureel-erfgoedbeleid van de Vlaamse Regering

Cultureelerfgoeddecreet

Cultureelerfgoeddecreet van 24 februari 2017

Decreet

Op vrijdag 24 februari 2017 bekrachtigde en kondigde de Vlaamse Regering het Decreet houdende de Ondersteuning van Cultureel-erfgoedwerking in Vlaanderen (Vlaamse Codex) af.

Het decreet werd op 4 april 2017 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is officieel van kracht vanaf 14 april 2017.

 

Uitvoeringsbesluit

Het besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het Cultureelerfgoeddecreet van 24 februari 2017 werd definitief goedgekeurd op 20 juni 2017.

Het uitvoeringsbesluit vult het decreet aan. De Vlaamse Regering specificeert enkele voorwaarden en criteria en verfijnt een heel aantal procedures. Ze legt regels vast voor verantwoording, toezicht en evaluatie en bepaalt regels voor het toekennen en uitbetalen van subsidies en de advisering van aanvraagdossiers.

 

Memorie van toelichting

Het ontwerp van decreet werd ingediend samen met een memorie van toelichting (PDF). In de memorie wordt aangegeven waarom er een nieuw decreet nodig is en wordt elk artikel van het decreet inhoudelijk besproken.

Een memorie van toelichting wordt na de indiening van een decreet in het parlement niet meer gewijzigd. Het decreet kan wel nog worden aangepast naar aanleiding van besprekingen in het parlement. Om die reden is een memorie interessante achtergrondlectuur, maar kunnen er elementen in staan die niet volledig correct (meer) zijn.

 

Bijkomende informatie

Noot: hou er rekening mee dat de presentaties gegeven werden op basis van de toenmalige versie van het decreet. Tijdens de procedure van totstandkoming van het decreet zijn er nog aanpassingen gebeurd die mogelijk kunnen afwijken van de inhoud van deze presentaties.

 

Verloop goedkeuringsprocedure

  • Voornaamste wijzigingen decreet

    Dit decreet werd in de periode juli 2016 - januari 2017 voorgelegd aan verschillende adviesorganen. De adviezen en de parlementaire procedure resulteerden nog in wijzigingen of amendementen op de eerste versie van de tekst.


    Naar aanleiding van het advies van de SARC (PDF) werden volgende wijzigingen doorgevoerd aan het voorontwerp van decreet en bijhorende memorie van toelichting:

    • De definities van de functies en rollen in het decreet bleven grotendeels ongewijzigd (m.u.v. de functie behouden die werd vervangen door ‘behouden en borgen’), in de memorie werd bijkomende toelichting opgenomen.
    • De definities van museum, culturele archiefinstelling en erfgoedbibliotheek werden aangepast.
    • Een bijkomende overgangsbepaling werd opgenomen die het mogelijk maakt om de middelen die door provincies worden toegekend aan regionaal ingedeelde stadsarchieven te continueren via de erfgoedconvenants.
    • De voorwaarde dat academisch onderzoek niet in aanmerking komt voor projectondersteuning werd aangepast. Deze voorwaarde vervalt indien de aanvrager kan aantonen dat het onderzoek vertrekt vanuit de eigen cultureel-erfgoedwerking. 
    • Voor de beoordeling van projecten moet de administratie zich verplicht laten bijstaan door meerdere externe experten.
    • Een bijkomend subsidiecriterium werd toegevoegd bij de dienstverlenende rollen (landelijk en regionaal). Dit criterium laat toe om de wijze te beoordelen waarop de erfgoedgemeenschappen waarvoor een dienstverlening wordt aangeboden betrokken worden in de dienstverlenende organisatie.

    Diverse andere opmerkingen van de SARC zullen worden meegenomen bij de uitwerking van het uitvoeringsbesluit: concrete afspraken in het kader van het complementair beleid, heldere procedure voor de aanduiding van erfgoedinstellingen, de nadere bepaling van de criteria gekoppeld aan de functies, adviezen n.a.v. advisering, planlastvermindering, …

    Een meer omstandige reactie op het advies van de SARC is terug te vinden in hoofdstuk 5.1 in de Memorie van Toelichting.


    De Raad van State formuleerde een advies (PDF) en gaat daarin na of het voorontwerp van decreet voldoet aan de geldende vormvereisten, de geldende wettelijke bepalingen (Europese regels rond staatssteun, Cultuurpactwetgeving, principes van goed bestuur…) en of de argumentatie hiervoor in de memorie van toelichting voldoende duidelijk is.

    Naar aanleiding van dit advies werden nog diverse technische aanpassingen doorgevoerd in de tekst. Op verschillende plaatsen werd de memorie van toelichting ook aangevuld met bijkomende argumentatie die verduidelijkt op welke wijze het ontwerp van decreet voldoet aan de geldende wettelijke bepalingen. Zo bevat de memorie van toelichting nu een extra hoofdstuk (hoofdstuk 5) over hoe het decreet zich verhoudt tot de Europese regels rond staatsteun.

    Een volledig overzicht van de wijze waarop gevolg werd gegeven aan het advies van de Raad van State en de wijzigingen als gevolg hiervan zijn te vinden in hoofdstuk 6.2 van de memorie van toelichting.

    Bij de definitieve goedkeuring besliste de Vlaamse Regering daarnaast om een aantal inhoudelijk bijsturingen door te voeren in het ontwerp van decreet. De voornaamste bijsturingen zijn:

    • voor de aanduiding als cultureel-erfgoedinstelling is niet meer vereist dat er een dienstverlenende rol op landelijk niveau wordt opgenomen. Dit wordt wel nog meegenomen als een positief element in de advisering en beslissing indien de voorgestelde rol vertrekt vanuit de bestaande expertise van de collectiebeherende organisatie
    • bij de dienstverlenende rollen op regionaal niveau werd de mogelijkheid voorzien om, naast een dienstverlening te voorzien dit zich richt op het eigen grondgebied, ook dienstverlening aan te bieden die zich richt op een bredere regio
    • de beleidsperiode voor de dienstverlenende rollen op regionaal niveau werd aangepast zodat deze overeenstemt met de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden van Onroerend Erfgoed. 

    Een gedetailleerd overzicht van de inhoudelijke bijsturingen is ook te vinden in hoofdstuk 6.2 van de memorie van toelichting.


    Na definitieve goedkeuring door de Vlaamse Regering, wordt het ontwerp van decreet overgemaakt aan het Vlaams Parlement.

    De voorzitter van het Vlaams Parlement wijst het ontwerpdecreet dan toe aan een commissie, waar het dossier besproken wordt. Zowel de Vlaamse Regering als de leden van het Vlaams Parlement kunnen nog amendementen indienen.

    Op 17 januari 2017 vond een hoorzitting over het nieuwe Cultureelerfgoeddecreet plaats in de Commissie Cultuur van het Vlaams Parlement. Verschillende actoren uit de sector (SARC, OCE en VVSG) werden daarbij gehoord.

    Op 26 januari was er een debat in de Commissie Cultuur en antwoordde minister Gatz op vragen van de parlementsleden.

    Na de bespreking in de commissie, werd het dossier op 15 februari en nogmaals besproken en gestemd in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement.

    Naast een aantal technische amendementen, werden volgende inhoudelijke wijzigingen aangenomen:

    • in de procedure voor werkingssubsidies zal er een mogelijkheid tot repliek voorzien worden (art. 41);
    • de stadsarchieven in centrumsteden worden vrijgesteld van de subsidiëringsvoorwaarde dat er een afzonderlijke cultureel-erfgoedwerking moet zijn (art. 48);
    • voor de regionale dienstverlenende rollen (cultureel-erfgoedconvenants) werd een verduidelijking toegevoegd dat cultureel-erfgoedcellen aan publiekswerking kunnen doen (art. 57);
    • de resterende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de cultureel-erfgoedsector worden geïntegreerd in het decreet (art. 97):
      • voor regionaal ingedeelde organisaties wordt de tewerkstellingssubsidie toegevoegd aan de werkingssubsidie vanaf 2019. De eerste beleidsperiode wordt het maximaal bedrag voor de regionaal ingedeelde organisaties (vermeld in art. 50) hiervoor verhoogd met 50%;
      • voor erkende organisaties die niet regionaal zijn ingedeeld wordt de tewerkstellingssubsidie vanaf 2021 toegevoegd aan de werkingssubsidie van een regionale dienstverlenende rol, indien de erkende organisatie deel uitmaakt van een goedgekeurde aanvraag voor een dergelijke rol;
      • voor niet-erkende organisaties stopt de tewerkstellingssubsidie vanaf 2019.
  • Voornaamste wijzigingen uitvoeringsbesluit

    Op 31 maart 2017 kreeg het Uitvoeringsbesluit een eerste principiële goedkeuring van de Vlaamse Regering. Een tweede principiële goedkeuring van het volgde op 5 mei 2017 na advies van Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media.

    Naar aanleiding van het advies van de Raad van State op 14 juni 2017 werden nog een aantal technische aanpassingen doorgevoerd in de tekst.

Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012

Officiële titel

De officiële titel van het decreet is:

Het decreet van 6 juli 2012 houdende het Vlaams cultureel-erfgoedbeleid


Officiële afkorting

Het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 is de officiële afkorting. 


Inhoud van het decreet

Het Cultureel-erfgoeddecreet bevat de regels op basis waarvan de Vlaamse Gemeenschap het cultureel-erfgoedveld in Vlaanderen ondersteunt en subsidieert. Het ondersteunen en subsidiëren van cultureel-erfgoedorganisaties vormt samen met het beschermen van cultureel erfgoed (geregeld door het Topstukkendecreet) één van de pijlers van het cultureel-erfgoedbeleid.  

Het Cultureel-erfgoeddecreet gaat alleen maar over het roerend en immaterieel erfgoed. Het gaat dus over:

  • cultureel erfgoed in musea, archiefinstellingen, erfgoedbibliotheken
  • heemkundige kringen en andere verenigingen die zich bezig houden met roerend en immaterieel erfgoed
  • cultureel erfgoed dat niet in musea, archiefinstellingen of erfgoedbibliotheken wordt bewaard
  • verhalen, rituelen, processies, tradities, gebruiken …

De Vlaamse Gemeenschap ondersteunt initiatieven die organisaties daarvoor nemen als ze aan de voorwaarden en de criteria van het decreet voldoen.

Het onroerend-erfgoedbeleid en dus het beleid naar monumenten, landschappen en archeologische sites wordt geregeld via andere decreten. Initiatieven voor monumenten, landschappen en archeologische sites kunnen dus niet op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet gesubsidieerd worden.


Memorie van toelichting

De memorie van toelichting:

  • geeft uitleg bij de het Cultureel-erfgoeddecreet
  • schetst de doelstellingen
  • licht keuzes toe en is hierdoor van belang voor het begrijpen van bepaalde instrumenten, voorwaarden en criteria.

De tekst van de memorie wordt niet aangepast naar aanleiding van veranderingen aan de decreettekst die het gevolg zijn van opmerkingen van de Raad van State, van de bespreking in het Vlaams Parlement of van de verschillende beslissingsmomenten in de procedure.

 

De uitvoeringsbesluiten

Meestal worden niet alle regel per decreet bepaald; een decreet kan een delegatie voorzien aan de Vlaamse Regering om op bepaalde punten nadere regels vast te leggen. Dit gebeurt aan de hand van een uitvoeringsbesluit (de officiële naam voor uitvoeringsbesluit is “Besluit van de Vlaamse Regering”). 

Voor de uitvoering van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 wordt gewerkt met 2 uitvoeringsbesluiten:

  • een uitvoeringsbesluit voor de bepaling van de Vlaamse beleidsprioriteiten voor het Cultureel-erfgoeddecreet (in uitvoering van het Planlastendecreet).
  • een uitvoeringsbesluit voor de verdere uitwerking van de voorwaarden, criteria en procedures van het Cultureel-erfgoeddecreet.​


Uitvoeringsbesluit voor de bepaling van de Vlaamse beleidsprioriteiten

Deze beleidsprioriteiten worden bepaald in uitvoering van de subsidiemethodiek die het Planlastendecreet voorziet voor gemeenten en provincies. In het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 kunnen en de provincies en de 5 kunststeden (Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven en Mechelen) intekenen op de Vlaamse beleidsprioriteiten voor cultureel erfgoed. 

De provincies en de betrokken steden kunnen via hun meerjarenplanning 2014-2019 intekenen op de Vlaamse beleidsprioriteiten en hiervoor subsidies ontvangen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2012 houdende de formulering van de Vlaamse beleidsprioriteiten voor het Cultureel-erfgoeddecreet 


Uitvoeringsbesluit voor de verdere uitwerking van de voorwaarden, criteria en procedures

Dit uitvoeringsbesluit voorziet nadere specificaties en procedures voor de verschillende onderdelen van het Cultureel-erfgoeddecreet. Dit is nodig om er voor te zorgen dat het decreet uitgevoerd kan worden. 

Besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013 houdende de uitvoering van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 


Ministerieel besluit

Ministerieel besluit houdende de bepaling van nadere modaliteiten voor het toezicht op subsidies in het kader van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012

Met het oog op het toezicht werd, zoals voorzien in het uitvoeringsbesluit over de uitvoering van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012, bepaald wel kosten al dan niet in aanmerking komen voor subsidiëring.


Aanpassing beleidsperiodes Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012

Op 20 november 2015 keurde het Vlaams Parlement een wijziging van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 goed. De wijziging regelt de aanpassing van de beleidsperiodes. 

Het decreet voorzag verschillende beleidsperiodes per deelsector die elkaar overlappen. Als gevolg hiervan kon de sector nooit als geheel aan de meet komen. Er bestaat dus geen ‘cultureel-erfgoedronde’, zoals er een ‘kunstenronde’ bestaat in het Kunstendecreet.

Door het wijzigingsdecreet worden de lopende beleidsperiodes van de cultureel-erfgoedorganisaties aangepast zodat zij tegelijk eindigen op 31 december 2018. De lopende beheersovereenkomsten worden verlengd. Cultureel-erfgoedorganisaties die momenteel een werkingssubsidie ontvangen, moeten dus pas een nieuwe subsidieaanvraag indienen voor werkingssubsidies voor een beleidsperiode die start op 1 januari 2019.

 

Soort organisatie

Oude periode

Nieuwe periode

musea en samenwerkingsverbanden voor internationale profilering

2014 -2018

2014 -2018

(geen wijziging)

culturele archiefinstellingen, Archiefbank Vlaanderen, Vlaamse Erfgoedbibliotheek

2013 - 2017

2013 - 2018

landelijke expertisecentra, landelijke organisaties volkscultuur, periodieke cultureel-erfgoedpublicaties

2012 - 2016

2012 - 2018

FARO, M HKA

2012 - 2016

2012 - 2018

belangenbehartiger

2016 – 2020

2016 - 2018


Ook de decretale beleidsperiode van het cultureel-erfgoedconvenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie werd aangepast. De periode werd aangepast zodat deze overeenstemt met de eigen meerjarenplanning van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Om de planlast te verminderen kan die meerjarenplanning nu ingediend worden als subsidieaanvraag voor de beleidsperiode 2016-2020.


 

 

 

Historiek

Het Cultureel-erfgoeddecreet 6 juli 2012 vervangt het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008.

In het Cultureel-Erfgoeddecreet van 23 mei 2008 werden het Archiefdecreet, het Decreet op de Volkscultuur en het Erfgoeddecreet geïntegreerd.

Het Museumdecreet van 1996 en het reglement met betrekking tot cultureel-erfgoedconvenants van 2000 werden geïntegreerd in het Erfgoeddecreet van 2004.

Voor de inwerkingtreding van het Museumdecreet werden musea in beperkte mate gesubsidieerd op basis van het Koninklijk Besluit van 1958 ‘tot reglementering van toelagen aan musea die niet van de Staat afhangen’.