Kunstendecreet
- Doel
- Voor wie?
- Historiek
- Gecoördineerde versie
- Goedgekeurd ontwerp van uitvoeringsbesluit - Vlaamse Regering, 18 juli 2008
- Wijziging - Vlaams Parlement, 11 juni 2008
- Ontwerp van decreet en bijhorende memorie van toelichting
- Toelichting van minister Anciaux
- Besluit van 20 oktober 2006
- Kunstendecreet van 2 april 2004
- Besluit van 25 juni 2004
- Wijziging (m.b.t. reservevorming)
- Memorie van toelichting van 12 december 2003
Doel
Het Kunstendecreet biedt een open en samenhangend kader voor alle kunstvormen: podiumkunsten, muziek, beeldende en audiovisuele kunst, letteren, architectuur, vormgeving, nieuwe media, en alle mengvormen daarvan. Het wil een aantal tijdelijke sectorale reglementen vervangen door één globale benadering van alle kunsten, met het oog op meer transparantie en objectiviteit.
Naast de administratieve vereenvoudiging van de regelgeving, biedt het decreet ook rechtszekerheid voor sectoren die vroeger ad hoc of via experimentele reglementen werden ondersteund. De reorganisatie van het gehele kunstenlandschap wil zo ook bijdragen tot gelijkberechtiging van de verschillende artistieke disciplines.
Over alle disciplines heen wordt een uniforme subsidieregeling voorzien, gebaseerd op kwaliteitsbeoordeling. Organisaties kunnen kiezen voor een projectmatige subsidiëring of een subsidie voor het geheel van hun werking in de vorm van twee- of vierjarige financieringsbudgetten. Verder wordt ook de ondersteuning van internationale initiatieven, kunsteducatieve of sociaal-artistieke projecten, publicaties en steunpunten voor alle sectoren op dezelfde leest geschoeid.
Voor wie?
Het decreet richt zich tot het professionele kunstenveld, concreet kunstenaars en organisaties werkzaam in of behorend tot een van de volgende sectoren of mengvormen daarvan: theater, muziektheater, dans, kunstencentra, werkplaatsen, kunsteducatie, muziek, audiovisuele kunsten, sociaal-artistiek, architectuur, vormgeving, beeldende kunsten, en nieuwe media.
Daarnaast biedt het de mogelijkheid om subsidies aan te vragen voor (niet-literaire) publicaties, opnameprojecten en internationale initiativen.
Ook de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap en de steunpunten die zich situeren binnen de kunstensector worden gesubsidieerd in het kader van het Kunstendecreet.
Kunstvormen op het vlak van literatuur en film vallen niet onder het Kunstendecreet maar behoren tot de bevoegdheid van respectievelijk het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Vlaams Audiovisueel Fonds.
Historiek
- 2 april 2004: goedkeuring van het Kunstendecreet, dat op 1 januari 2006 in voege treed
- 25 juni 2004: de in het Kunstendecreet vastgelegde bepalingen vinden hun concretisering in een bijbehorend uitvoeringsbesluit
- 3 juni 2005: via een wijzigend decreet worden voor de eerste keer een aantal minimale aanpassingen doorgevoerd
- 20 oktober 2006: een aantal bijkomende criteria wordt vastgelegd via een besluit van de Vlaamse Regering
- 22 december 2006: in een tweede wijzigend decreet werd onder meer de reserveregeling aangepast
- 20 juni 2008: met een derde wijzigend decreet worden een aantal technische onjuistheden weggewerkt en worden de administratieve lasten voor aanvragers gereduceerd
- 18 juli 2008: het nieuwe uitvoeringsbesluit bij het Kunstendecreet wordt goedgekeurd. Met uitzondering van het luik over de kwaliteitsbeoordeling heeft dit besluit betrekking op alle vormen van subsidiëring vanaf 2010
Gecoördineerde versie
Aan de inhoud van deze gecoördineerde decreettekst (PDF, 269 kB) kunnen geen rechten worden ontleend. Deze versie is opgesteld om de leesbaarheid van het decreet te verhogen. De tekst is een werkdocument en heeft derhalve geen enkele juridische betekenis.
Goedgekeurd ontwerp van uitvoeringsbesluit - Vlaamse Regering, 18 juli 2008
Op 18 juli 2008 heeft de Vlaamse Regering het ontwerp van uitvoeringsbesluit (PDF, 127 kB) bij het recent gewijzigde Kunstendecreet definitief goedgekeurd.
Wijzigingen
Het merendeel van de wijzigingen betreft de vermindering van de administratieve lasten. Zo zullen aanvragers voortaan niet langer statuten en ledenlijsten bij hun dossier moeten voegen (vooropgesteld dat het gaat om een aanvraag die betrekking heeft op subsidiëring vanaf 2010). Daarnaast wordt er ruimte voorzien om elektronisch aanvragen in de toekomst mogelijk te maken.
Voor de volgende meerjarige aanvragen zal bovendien reeds gebruik gemaakt worden van een standaarddossier dat alle aanvragers moeten gebruiken. Dit standaarddossier heeft tot doel een betere vergelijking tussen de verschillende dossiers toe te laten bij de kwaliteitsbeoordeling door zowel de beoordelingscommissies als de administratie. Het standaarddossier vermeldt eveneens twee specifieke aandachtpunten, namelijk aandacht voor de kunstenaar en aandacht voor publiekswerking en -werving.
Er moet uitgebreid aandacht besteed worden aan de artistieke medewerkers en kunstenaars waar de organisatie mee werkt, gaande van werknemers binnen de organisatie, externe samenwerkingsverbanden, vaste werknemers en samenwerkingen tot tijdelijke contracten. Daarnaast moet de publiekswerking en -werving binnen het artistiek-inhoudelijk beleidsplan gedetailleerd worden besproken. De organisatie moet aangeven welke acties daarvoor worden ondernomen de komende jaren. Men moet de ambities omschrijven en hoe een nieuw publiek bereikt kan worden.
Verbreding
Op vlak van uitvoering van het decreet, zal deze aandacht voor publiekswerking bovendien ook uitdrukkelijker een plaats krijgen binnen de beoordelingscommissie kunsteducatie. Ook projecten en organisaties met een focus op publieksbemiddeling en -toeleiding tot de professionele kunsten verdienen een plaats binnen het kunstendecreet. De minister wil ‘kunsteducatie’ binnen het Kunstendecreet breed invullen en niet voornamelijk beperken tot begeleiding van kinderen en jongeren.
Over deze verbreding – die los staat van de gewijzigde uitvoeringsbesluiten die vandaag werden goedgekeurd - zal de minister in het najaar nog communiceren.
Binnen het kunstendecreet is er enerzijds de aandacht voor publiekwerking- en publieksverbreding voor alle structurele werkingen, maar anderzijds wil de minister op termijn ook de inhoud van de dossiers die worden ingediend bij de commissie kunsteducatie 'verbreden'. Op dit moment zijn er 12 kunsteducatieve organisaties strcutureel gesubsidieerd binnen het kunstendecreet. Daarvan zijn er slechts enkelen die ook projecten uitwerken voor volwassenen (voornamelijk gericht naar leerkrachten die de methodieken dan weer in de klas kunnen gebruiken).
Binnen het kader van 'levenslang leren' en vanuit de aandacht voor participatie, kan ook het 'toeleiden' van publiek naar wat er zich vandaag in het kunstenlandschap afspeelt, gezien worden als 'kunsteducatie'. Het is geen vanzelfsprekendheid om kunsteducatie automatisch te koppelen aan 'kinderen en jongeren'. Kunsteducatie zou ook geïnterpreteerd kunnen worden als 'kunstbemiddeling', of 'kunsttoeleiding'.
De definitie binnen het kunstendecreet laat dit perfect toe. Om een maatschappelijk draagvlak te creëren voor kunst, wil de minister niet 'drempelverlagend' werken, maar juist het 'hellend vlak' aanreiken waarmee mensen over de drempel geraken. Ook organisaties die dáárop focussen moeten een plaats kunnen krijgen binnen het kunstendecreet.
Norm van 300.000 euro
In uitvoering van het gewijzigde Kunstendecreet werd er een norm van 300.000 euro opgenomen waarboven meerjarig gesubsidieerde organisaties niet meer in aanmerking komen voor andere vormen van subsidiëring in het kader van het Kunstendecreet. Dit betekent dus dat alle twee- of vierjarig gesubsidieerde organisaties die een jaarlijks subsidiebudget ontvangen van 300.000 euro of meer geen bijkomende subsidies voor internationale projecten, sociaal-artistieke of kunsteducatieve projecten, creatieopdrachten enzovoort, meer kunnen ontvangen.
De kwantitatieve voorwaarden voor de vierjarig gesubsidieerde organisaties bleven zo goed als ongewijzigd. Vanuit de aandacht voor de individuele kunstenaar wordt enkel het aantal verplichte creatieopdrachten dat moet worden toegekend binnen een subsidieperiode opgetrokken naar vier per vierjarige subsidieperiode voor muziekensembles en naar twee per vierjarige subsidieperiode voor dans-, theater-, en muziektheatergezelschappen.
Beoordelingscommissies
In het nieuwe uitvoeringsbesluit is geen beoordelingscommissie festivals meer voorzien. De advisering van monodisciplinaire dossiers zal voortaan gebeuren door de bevoegde sectorcommissies en dit niet alleen voor festivals maar ook voor werkplaatsen en kunstencentra. De beoordelingscommissie kunstencentra en werkplaatsen werkt voortaan onder de noemer "bc multidisciplinaire kunstencentra, werkplaatsen en festivals". Deze commissie zal dus de kwaliteitsbeoordeling van aanvragen die zich expliciet als multidisciplinair profileren, op zich nemen.
Doel hiervan is zowel de termijn van de kwaliteitsbeoordeling te verkorten als een beter zicht te krijgen op de verschillende kunstensectoren. De beoordelingscommissie theater bijvoorbeeld zal dus niet langer enkel de theatergezelschappen beoordelen maar ook de theaterfestivals en de theaterwerkplaatsen. Hoewel deze initiatieven van verschillende aard zijn, zijn ze zonder twijfel complementair binnen het theaterlandschap en is het dus niet aangewezen ze afzonderlijk te beoordelen.
Daarnaast wordt het aantal leden bij verschillende beoordelingscommissies uitgebreid. De beoordelingscommissies kunstencentra, muziek, dans, muziektheater, audiovisuele kunsten, beeldende kunst en theater zullen elk met twee leden worden uitgebreid. Deze uitbreiding is het gevolg van een toegenomen diversiteit in het kunstenlandschap, waardoor een uitgebreidere expertise binnen de beoordelingscommissies noodzakelijk is.
Subsidiëring vanaf 2010
Het aangepaste besluit is van toepassing op alle initiatieven die zullen worden gesubsidieerd in het kader van het Kunstendecreet vanaf 2010. Dit betekent dat alle aanvragen voor subsidies in 2010 (met aanvraagdatum in bijvoorbeeld 2008 of 2009) zullen moeten gebeuren volgens de bepalingen van het nieuwe uitvoeringsbesluit.
Dit betekent dus ook dat de aanpassingen van de indiendata voor aanvragen voor projectsubsidies en beurzen voor de eerste maal van toepassing zullen zijn op respectievelijk 1 september en 15 september 2009 (voor subsidiëring in 2010).
Wijziging - Vlaams Parlement, 11 juni 2008
Op 11 juni 2008 werd het ontwerp van decreet houdende wijziging van het Kunstendecreet goedgekeurd in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement. Deze wijziging situeert zich voornamelijk op de volgende vlakken:
- technische aanpassingen
- enveloppefinanciering
- subsidies voor kunstenaars
- aanpassen indiendata aanvragen meerjarige werkingen
- vermindering planlast
- aangepaste regelinguitbetaling meerjarige subsidies
Technische aanpassingen
Het Kunstendecreet van 2 april 2004 bevatte een aantal technische onduidelijkheden of fouten die met het wijzigend decreet worden verbeterd. Daarnaast werd een deel van de terminologie aangepast.
Enveloppefinanciering
Aangezien de middelen van het Kunstendecreet in grote mate naar de meerjarige werkingen gaan, is het de bedoeling om het resterende budget optimaal in te zetten voor de overige soorten van subsidiëring.
De mogelijkheid voor meerjarig gesubsidieerde organisaties om bijkomende subsidies aan te vragen wordt daarom aangepast. Concreet gaat het om de volgende wijzigingen:
kunstenorganisaties die een meerjarige subsidie ontvangen van minstens 300.000 euro kunnen voortaan geen bijkomende subsidieaanvragen meer indienen voor de volgende elementen: internationale initiatieven, projecten kunsteducatie of sociaal-artistieke projecten, creatieopdrachten, publicaties en opnameprojecten.
kunsteducatieve of sociaal-artistieke organisaties die een meerjarige subsidie ontvangen boven een door de Vlaamse Regering te bepalen bedrag kunnen geen bijkomende middelen meer aanvragen voor de volgende elementen: internationale initiatieven, creatieopdrachten, publicaties of opnameprojecten.
Het ontwerpdecreet voorziet dat de Vlaamse Regering een bedrag vast kan stellen, vanaf hetwelk deze elementen geacht worden in het financieringsbudget te zijn inbegrepen. Op die manier komt een groter deel van de niet-structurele middelen effectief ten bate van organisaties die werken met een subsidiebedrag dat lager ligt dan datgene dat door de Vlaamse Regering is bepaald, organisaties die projectmatig werken of aan individuele kunstenaars. Als dusdanig wordt indirect ook de mogelijkheid gecreëerd om organisaties uit financieel achtergestelde sectoren bijkomende middelen toe te kennen in de loop van een meerjarige subsidieperiode.
Organisaties die een subsidiebedrag ontvangen van minstens 300.000 euro, worden verondersteld in hun planning budgettaire ruimte te voorzien voor onverwachte opportuniteiten en risico’s. Zij moeten hun verantwoordelijkheid opnemen binnen de toegekende enveloppe.
Er werd voor geopteerd om de hoogte van het jaarlijkse subsidiebedrag waarboven geen bijkomende subsidies kunnen worden aangevraagd niet decretaal te verankeren maar op te nemen in het uitvoeringsbesluit. Op die manier kan flexibel worden ingespeeld op externe factoren zoals de index alsook op de noden van de sector.
Subsidies voor kunstenaars
Het Kunstendecreet van 2 april 2004 voorzag de mogelijkheid om projectbeurzen aan kunstenaars toe te kennen. Deze projectbeurzen worden voor de duidelijkheid voortaan benoemd als “projectsubsidies voor kunstenaars”. Er bestond immers nogal wat verwarring tussen de termen projectbeurzen en projectsubsidies.
De bepaling dat kunstenaars uit de podiumkunsten of de muziek enkel in aanmerking komen voor beurzen op het vlak van de reflectie en niet voor creatie en presentatie, wordt geschrapt. Hierdoor zullen de ‘projectsubsidies voor kunstenaars’ naast de mogelijkheden die de projectbeurzen reeds boden voor beeldende kunstenaars, kansen kunnen bieden voor projecten van kunstenaars uit alle disciplines, zonder dat deze onmiddellijk verplicht worden een rechtspersoon op te richten. De doelstelling van deze beurzen voor kunstenaars uit de beeldende kunstensector blijft onveranderd.
Aanpassing data indienen aanvragen meerjarige subsidiëring
De data waarop meerjarige aanvragen moeten worden ingediend werden voor zowel kunstenorganisaties, sociaal-artistieke en kunsteducatieve organisaties en periodieke publicaties aangepast.
Voortaan moeten vierjarige aanvragen steeds uiterlijk op 1 oktober van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan de vierjarige subsidieperiode worden ingediend. Aanvragen voor subsidiëring van een tweejarige periode moeten voortaan op 1 december van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan de tweejarige subsidieperiode worden ingediend. Het decreet voorziet tot slot dat de Vlaamse Regering in jaren waarin er verkiezingen voor het Vlaams Parlement plaatsvinden en waarin een beslissing moet worden genomen over zowel vier- als tweejarige subsidiëringen, enkel subsidies toekent in de vorm van een driejarig financieringsbudget. Wanneer dit het geval is moeten alle aanvragen uiterlijk 1 oktober worden ingediend. Deze situatie doet zich uitzonderlijk voor in 2009 en zou zich pas in terug in 2024 terug voordoen.
Concreet betekent dit dat organisaties die een twee- of vierjarige aanvraag willen doen voor meerjarige ondersteuning vanaf 2010 hun aanvraag uiterlijk 1 oktober 2008 moeten indienen. Hoewel er dus een beslissing zal worden genomen voor een periode van drie jaar moeten de aanvragen voor meerjarige subsidiëring vanaf 2010 een twee- of vierjarige periode betreffen.
Om te bepalen of u een twee- of vierjarige aanvraag indient moet u zich richten naar de geest van het decreet (oorspronkelijke memorie van toelichting). Binnen het Kunstendecreet wordt de vierjarige subsidiëring als de meest gebruikelijke gezien voor organisaties die reeds een continue werking hebben. De tweejarige subsidie wordt gezien als een instapmogelijkheid voor organisaties die nog geen meerjarig subsidieverleden hebben. Deze tweejarige subsidiëring kan echter ook aangewend worden als heroriëntering- of zelfs uitstapregel voor organisaties die te kort schieten om nog in aanmerking te komen voor een vierjarige enveloppe.
Planlastvermindering
Een van de doelstelling van het ontwerpdecreet is de vermindering van de administratieve lasten voor de betrokken organisaties en individuen. Zo zullen de organisaties die meerjarig gesubsidieerd worden in de toekomst na de beslissing van de Vlaamse Regering over de hoogte van het subsidiebedrag in de komende periode niet langer een aangepast meerjarig beleidsplan en een geactualiseerd beleidsplan moeten indienen, maar enkel jaarlijks één actieplan.
Organisaties die projectmatig gesubsidieerd worden zullen niet langer verplicht een dubbele boekhouding moeten voeren, maar enkel een overzicht van alle inkomsten en uitgaven verbonden aan het project moeten voorleggen bij het voltooien van het project.
Heel wat andere administratieve lastenverlagingen zullen worden doorgevoerd bij het aanpassen van het uitvoeringsbesluit. Zo zal men in de toekomst niet langer allerhande administratieve documenten zoals statuten en ledenlijsten moeten bijvoegen bij subsidieaanvragen.
Aangepaste regeling uitbetaling meerjarige subsidies
De termijn van de betaling van de voorschotten aan organisaties die meerjarig gesubsidieerd worden werd opgenomen in het decreet. Deze regeling werd aangepast naar twee voorschotten van 45 % die vanaf 1 februari en 1 juli worden uitbetaald en een saldo van 10%. Dit ontwerp is onder voorbehoud van goedkeuring door de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement.
Ontwerp van decreet en bijhorende memorie van toelichting
Voor meer informatie kan u het ontwerp van decreet en de bijbehorende memorie van toelichting (PDF, 5 MB) raadplegen waarin de wijzigingen worden geduid.
Toelichting van minister Anciaux
De minister gaf op 24 april 2008 ook een toelichting bij het wijzigend decreet (PDF, 63 kB) in het parlement.
Besluit van 20 oktober 2006
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 oktober 2006 houdende bepaling van aanvullende beoordelingscriteria ter uitvoering van artikel 8, § 2,van het Kunstendecreet van 2 april 2004. Op 20 oktober 2006 heeft de Vlaamse Regering aanvullende criteria goedgekeurd in kader van het Kunstendecreet. Deze criteria moeten gezien worden als een concretisering van de beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering en zullen gehanteerd worden bij de beoordeling van de aanvragen van kunstenorganisaties voor meerjarige subsidiëring in de periode 2008-2009. Voorliggende aanvullende criteria hebben dan ook tot doel voor meer duidelijkheid te zorgen bij de volgende beoordelingsronde voor zowel de betrokken organisaties als de beoordelingscommissies en administratie.
- realisme van het voorgestelde groeipad en conformiteit tussen het artistieke en het financiële beleidsplan
- meerwaarde van het initiatief voor de regio op het vlak van het aanbod of op het vlak van facilitering voor andere regionale initiatieven
- maatschappelijk of sociaal belang, waarbij prioriteit wordt gegeven aan initiatieven die een specifieke doelgroep bedienen of een zeer specifieke invulling geven aan hun opdracht
- samenwerking met artistieke en niet-artistieke actoren met het oog op een optimaal gebruik van de werkingsmiddelen en beschikbare infrastructuur en met het oog op een maximale besteding van de middelen voor artistieke creatie en een beperking van de overheadkosten
- aandacht voor diversiteit en interculturaliteit
- de plaats van het initiatief binnen het volledige instrumentarium aan ondersteuning en subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij een initiatief dat niet thuishoort binnen het Kunstendecreet kan worden doorverwezen naar de ondersteuningsmogelijkheden CultuurInvest en de Fondsen van de Vlaamse Gemeenschap.
Kunstendecreet van 2 april 2004
Decreet houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, kunstenaars, organisaties voor kunsteducatie en organisaties voor sociaal-artistieke werking, internationale initiatieven, publicaties en steunpunten van 2 april 2004 - kortweg het Kunstendecreet (PDF, 152 kB).
Besluit van 25 juni 2004
Besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2004 (PDF, 305 kB) betreffende de uitvoering van het Kunstendecreet.
Wijziging (m.b.t. reservevorming)
De wijziging houdt in dat organisaties die een meerjarige ondersteuning (2 of 4 jaar) genieten, gedurende de beleidsperiode onbeperkt een reserve kunnen aanleggen met eigen inkomsten en subsidies. Met reserve wordt dan bedoeld rekening 13 (bestemde fondsen) en rekening 14 (overgedragen resultaat).
Op het einde van de beleidsperiode mag de reserve worden overgedragen naar een volgende periode, op voorwaarde dat de aangroei niet meer bedraagt dan 20 percent van de gemiddelde jaarlijkse personeels- en werkingskosten berekend over de beleidsperiode. Als deze meer bedraagt dan 20 % wordt het teveel ingehouden van het saldo of in mindering gebracht van de voorschotten voor het volgende werkingsjaar. Als de organisatie in kwestie geen subsidies meer ontvangt, dan moet zij een gemotiveerd bestedingsplan voorleggen met, in voorkomend geval, een prioritaire aanwending voor het voldoen van arbeidsrechtelijke verplichtingen.
Afwijkingen van deze normen zijn nog steeds mogelijk mits een gemotiveerde aanvraag wordt ingediend bij de administratie. Het is de Vlaamse Regering die, na advies van de Inspectie van Financiën, de afwijking al dan niet toestaat. Deze regeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006.
Ontwerp van decreet houdende wijziging van het Kunstendecreet (PDF, 275 kB)
Memorie van toelichting van 12 december 2003
Memorie van toelichting bij het Kunstendecreet (PDF, 324 kB) goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 12 december 2003.
Hoofdkantoor
Landcommanderij Alden Biesen
Frans Masereel Centrum
Kantl
Kasteel van gaasbeek
